Rekenen in groep 5: wat leert je kind?
Groep 5 is een druk rekenjaar. De tafels moeten vlot gaan, de getallen worden groter (tot 1000) en er komen klokkijken en geld bij. Hieronder staat wat in groep 5 gebruikelijk is. Elke school en elke rekenmethode kiest een eigen volgorde en tempo, dus het kan zijn dat jouw kind iets eerder of later tegenkomt.
De tafels van 1 tot en met 10
In groep 4 beginnen de meeste kinderen met de tafels. In groep 5 gaat het erom dat ze vlot worden: een som als 7 × 8 moet je kind kunnen beantwoorden zonder het rijtje af te lopen. Veel scholen willen dat de tafels van 1 tot en met 10 aan het eind van groep 5 goed zitten. Delen komt erbij als de omgekeerde som.
Bij elke tafelsom hoort een deelsom.
Hoe je de tafels slim oefent, lees je in Tafels oefenen: zo pak je het aan.
Getallen tot 1000
Je kind leert hoe grote getallen zijn opgebouwd uit honderdtallen, tientallen en eenheden. Dat lijkt simpel, maar het is de basis voor al het rekenen dat daarna komt.
Een nul betekent: geen tientallen. Daarom is 307 iets heel anders dan 37.
Daarnaast werken kinderen veel met de getallenlijn: waar ligt 640 ongeveer tussen 0 en 1000? Welk getal hoort bij dit streepje? En ze rekenen met hele tientallen en honderdtallen, zoals 340 + 200 = 540 en 700 − 30 = 670.
Optellen en aftrekken over het tiental
Sommen als 34 + 5 gaan meestal vlot. Lastiger wordt het als je over een tiental heen moet. Op school leren kinderen dan in stappen te rekenen: eerst naar het hele tiental, dan de rest.
Splits de 7 in 2 en 5: met 2 kom je precies op 40.
Aanvullen is dezelfde truc andersom: hoeveel moet er nog bij om bij 100 te komen? Dat komt later terug bij wisselgeld en bij rekenen met tijd.
63 → 70 is 7, 70 → 100 is 30. Samen 37.
38 + 7 =35 (fout)45 (goed)
Het tiental vergeten: 8 + 7 is 15, maar de 1 van het tiental valt weg. Springen via het hele tiental, met een getallenlijn erbij, helpt.
52 − 17 =45 (fout)35 (goed)
Per cijfer het kleinste van het grootste gehaald (7 − 2 = 5). Terugspringen helpt: 52 − 10 = 42, dan − 2 = 40, dan − 5 = 35.
Klokkijken
Hele en halve uren kennen de meeste kinderen al. In groep 5 komen de vijf minuten erbij (‘vijf voor half vier’), de digitale klok, de 24-uursklok en uitrekenen hoe lang iets duurt. De grootste struikelsteen: half vier is 3:30, niet 4:30.
Alles over de klok lees je in Klokkijken oefenen: van hele uren tot tijdsduur.
Rekenen met geld
Kinderen leren munten en briefjes herkennen en tellen wat ze samen waard zijn. Daarna leggen ze zelf een bedrag neer, tellen prijzen bij elkaar op en rekenen uit hoeveel je terugkrijgt.
€2 + €1 + 50 ct + 20 ct = €3,70
Wisselgeld reken je uit door aan te vullen: €3,65 → €4 is 35 cent, €4 → €5 is €1.
Een veelgemaakte fout is munten tellen in plaats van hun waarde: vijf munten is niet hetzelfde als vijf euro.
Een half en een kwart
Echte breuken, met teller en noemer, komen in groep 6. In groep 5 gaat het nog informeel: een halve appel, een kwart pizza, eerlijk delen. Dat is wel handig om thuis te oefenen, bijvoorbeeld als je samen een pizza verdeelt: zijn alle stukken even groot? Hoeveel stukken krijgt ieder?
Een kwart: één van de vier gelijke stukken. In groep 6 schrijf je dat zo:
In groep 6 leren kinderen breuken benoemen en maken; rekenen met breuken, zoals optellen en vereenvoudigen, komt in groep 7 en 8. Meer daarover in Breuken oefenen in groep 7 en 8.
Wat er verder in groep 5 zit
Op school komen ook meten en wegen, meetkunde, tabellen en verhaaltjessommen aan bod. Denk aan de liniaal aflezen, meter en centimeter, de omtrek van een figuur, symmetrie, bouwsels van blokjes en een staafdiagram lezen. Ook keersommen met nullen, zoals 3 × 40, horen bij groep 5. En kinderen maken kennis met de helft, een kwart en een derde.
Zo help je thuis
- Kort en vaak. Tien minuten per dag werkt beter dan een uur in het weekend.
- Reken hardop mee in het dagelijks leven: bij de kassa, op de klok, bij het koken.
- Laat je kind vertellen hoe het rekende. Een fout antwoord met een goede aanpak is vaak maar één stapje verwijderd van goed.
- Vraag de juf of meester wat er dit jaar aan bod komt. Dan oefen je thuis hetzelfde als in de klas.
Tip voor thuis: Laat je kind in de winkel de prijzen van twee dingen bij elkaar optellen, en daarna uitrekenen hoeveel je terugkrijgt van een briefje van €5 of €10.
Zo helpt Numo
Bij het profiel kies je de groep. Numo begint met een korte kennismaking en zoekt daarna zelf het goede niveau. In groep 5 oefent je kind getallen tot 1000 op het Sprongstrand, de tafels in de Tafelarena, klokkijken in de Klokkentoren en geld op het Marktplein. Meten, meetkunde, grafieken, keersommen met nullen en de eerste breuken zitten in de dagelijkse missie en de Oefenhoek. De Breukenburcht en de Pizzabaai gaan open vanaf groep 6.
Numo let op welk fout antwoord je kind geeft, geeft een korte tip en laat foutpatronen gericht terugkomen. Als ouder zie je per onderwerp hoe het gaat, met een tip voor thuis.